expres

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ex·pres

Bijwoord

expres

  1. met opzet
    Hij deed expres niet zijn best.
enkelvoud meervoud
naamwoord expres expressen
verkleinwoord expresje expresjes

Zelfstandig naamwoord

expres m

  1. verkorte vorm van exprestrein
    Hij ging met de expres op vakantie.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen