eigen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ei·gen
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van Oudnederlands *eigan, voltooid deelwoord van het werkwoord *eigan ('bezitten'), van Germaans *aiganan.
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | eigen |
| verbogen | eigen |
| partitief | eigens |
Bijvoeglijk naamwoord
eigen
- op zichzelf betrekking hebbend
- Eigen huis.
- Vakantie in eigen land.
- typisch (voor)
- Experimenteren is eigen aan de leeftijd.
- Iedere streek heeft iets eigens.
Opmerkingen
- Net als voltooide deelwoorden op -en krijgt "eigen" geen buigings-e als bijvoeglijk naamwoord, gesubstantiveerd kan het dat wel krijgen.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| eigenen |
eigen