eigendom
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ei·gen·dom
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | eigendom | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
eigendom m
- (juridisch) het recht op de heerschappij over een zaak, de omstandigheid dat een zaak iem. toebehoort
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | eigendom | eigendommen |
| verkleinwoord | eigendommetje | eigendommetjes |
Zelfstandig naamwoord
eigendom o
- zaak die men zijn eigen mag noemen, bezit
Synoniemen
- [1] eigendomsrecht
- [2] bezitting, goed, vermogen
Vertalingen
2. zaak die men zijn eigen mag noemen, bezit
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.