draagbaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • draag·baar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord draagbaar draagbaren
verkleinwoord draagbaartje draagbaartjes

Zelfstandig naamwoord

draagbaar v/m

  1. een baar waarop iets gedragen kan worden
    Omdat hij bewusteloos was geraakt werd hij op de draagbaar gelegd.
Synoniemen
Vertalingen
[1] stellend vergrotend overtreffend
onverbogen draagbaar - -
verbogen draagbare - -
[2] stellend vergrotend overtreffend
onverbogen draagbaar draagbaarder draagbaarst
verbogen draagbare draagbaardere draagbaarste

Bijvoeglijk naamwoord

draagbaar

  1. te dragen, met de mogelijkheid gedragen te worden
    Die stoel kan je wel vast buiten zetten, die is goed draagbaar.
  2. emotioneel te verdragen
    Na een half jaar werd het verlies toch draagbaar.
    Na een half jaar werd het verlies toch wat draagbaarder.
Afgeleide begrippen
Vertalingen