draagbaar
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: draagbaar (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈdraχbar/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈdraxbar/
Woordafbreking
- draag·baar
Woordherkomst en -opbouw
- [zelfstandig naamwoord] Samenstelling van draag en baar.
- [bijvoeglijk naamwoord] Naamwoord van handeling van dragen met het achtervoegsel -baar
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | draagbaar | draagbaren |
| verkleinwoord | draagbaartje | draagbaartjes |
Zelfstandig naamwoord
- een baar waarop iets gedragen kan worden
- Omdat hij bewusteloos was geraakt werd hij op de draagbaar gelegd.
Synoniemen
Vertalingen
1. een baar waarop iets gedragen kan worden
| [1] | stellend | vergrotend | overtreffend |
|---|---|---|---|
| onverbogen | draagbaar | - | - |
| verbogen | draagbare | - | - |
| [2] | stellend | vergrotend | overtreffend |
|---|---|---|---|
| onverbogen | draagbaar | draagbaarder | draagbaarst |
| verbogen | draagbare | draagbaardere | draagbaarste |
Bijvoeglijk naamwoord
draagbaar
- te dragen, met de mogelijkheid gedragen te worden
- Die stoel kan je wel vast buiten zetten, die is goed draagbaar.
- emotioneel te verdragen
- Na een half jaar werd het verlies toch draagbaar.
- Na een half jaar werd het verlies toch wat draagbaarder.