dokter
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- dok·ter
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | dokter | dokters, doktoren |
| verkleinwoord | doktertje | doktertjes |
Zelfstandig naamwoord
dokter m
- (beroep) een arts, een geneesheer
Overerving en ontlening
Vertalingen
1.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Indonesisch
Woordafbreking
- dok·ter
Woordherkomst en -opbouw
- uit het Nederlands dokter
Zelfstandig naamwoord
dokter