Arzt

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Arzt
Woordherkomst en -opbouw
  • Komt van de Middelhoogduitse woorden arzet en arzāt, die weer van het Oudhoogduitse arzāt stammen. Dit Oudhoogduitse woord komt van het Laatlatijnse woord archiater, dat zijnerzijds van het Oudgriekse woord αρχίατρος (archíatros) in de zin van "lijfarts, opperarts" stamt. Dit woord is uit de woorden αρχί (archí) "hoofd-, opper-" en ιατρός (iatrós) "arts" samengesteld.

Zelfstandig naamwoord

Arzt m

  1. (beroep) arts
    «Ein Arzt hat gelernt, seinen Patienten zu helfen.»
    Een arts heeft geleerd om zijn patiënten te helpen.
    «Sie sollten den behandelnden Arzt konsultieren!»
    U moet de behandelende arts raadplegen!
    «Der leitende Arzt wurde geholt.»
    De leidende arts wordt gehaald.
    «Mit der Verletzung sollten Sie zum Arzt gehen.»
    Met die verwonding moet u naar de arts gaan.
    «Zu Risiken und Nebenwirkungen fragen Sie ihren Arzt oder Apotheker.»
    Vraag uw arts of apotheker naar risico's en bijwerkingen.
    «Er ist noch ein Arzt im Praktikum.»
    Hij is nog een arts in stage.
Verbuiging
Verwante begrippen
Antoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden

(spreektaal) bis der Arzt kommt

  • Zonder begrenzing.
Afgeleide begrippen