dik

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak

Lettergrepen
  • dik

Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dik dikker dikst
verbogen dikke dikkere dikste

dik

  1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend.
    Zij had erg dikke benen.
  2. de genoemde dwarsdoorsnede hebbend.
    Dat beestje was een vinger dik.
  3. een naar verhouding grote lichaamsomvang hebbend.
    Die jongen is echt veel te dik.
  4. ruim.
    Het zat er dik in dat hij dat zou doen.
  5. hecht.
    Zij zijn echt dikke vrienden!
  6. nauw aaneengesloten.
    Er was gisteren erg dikke mist, waardoor we niets meer zagen.
  7. weinig vloeibaar.
    Hij hoestte allemaal dik slijm op.

Antoniemen

Afgeleide begrippen

Vertalingen


Bijwoord

dik

  1. op dikke wijze.
    Hij smeerde zich dik met zonnebrandolie in.
  2. overdrachtelijk in grote mate.
    Hij was daar dik tevreden mee.

Verwijzingen
  1. Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, door Johannes Franck, M. Nijhoff 1892
Teruggeplaatst van "http://nl.wiktionary.org/wiki/dik"
Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen