dik
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /dɪk/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /dɪk/
Woordafbreking
- dik
Woordherkomst en -opbouw
- Van het Middelnederlandse dicke met dezelfde betekenis, van het Germaanse *thekuz. Vergelijk het Oudhoogduitse dicki, het Angelsaksische þicce en het Oudnoorse þykkr, þjokkr[1]. Buiten het Germaans mogelijk alleen in Keltisch (Oudierse tiug) bekend.
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | dik | dikker | dikst |
| verbogen | dikke | dikkere | dikste |
| partitief | diks | dikkers | - |
Bijvoeglijk naamwoord
dik
- een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
- Zij had erg dikke benen.
- de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
- Dat beestje was een vinger dik.
- een naar verhouding grote lichaamsomvang hebbend
- Die jongen is echt veel te dik.
- ruim.
- Het zat er dik in dat hij dat zou doen.
- hecht.
- Zij zijn echt dikke vrienden!
- nauw aaneengesloten
- Er was gisteren erg dikke mist, waardoor we niets meer zagen.
- weinig vloeibaar
- Hij hoestte allemaal dik slijm op.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- [4] Hij is dik twintig.
Vertalingen
1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
2. de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
3. een naar verhouding grote lichaamsomvang hebbend
5. hecht
Bijwoord
dik
- op dikke wijze
- Hij smeerde zich dik met zonnebrandolie in.
- overdrachtelijk in grote mate
- Hij was daar dik tevreden mee.
Verwijzingen
- ↑ Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, door Johannes Franck, M. Nijhoff 1892