dikzak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dik·zak
enkelvoud meervoud
naamwoord dikzak dikzakken
verkleinwoord dikzakje dikzakjes

Zelfstandig naamwoord

dikzak m

  1. (pejoratief) iemand die zwaarlijvig is
    Wat een dikzak ben jij geworden!