fat
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA: fɑt
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | fat | fatten |
| verkleinwoord | fatje | fatjes |
Woordherkomst en -opbouw
Lettergrepen
- fat
Zelfstandig naamwoord
fat
- (archaïsch) modegek, iemand die buitensporige aandacht aan zijn uiterlijk besteedt
- "Ik, of een ander, mevrouw", hernam de jonge fat, zich op de lippen bijtende; "maar ik heb mijne overtuiging".[1]
Vertalingen
Verwijzingen
- ↑ Mejonkvrouwe de Mauléon- Bosboom-Toussaint
Engels
Uitspraak
Bijvoeglijk naamwoord
fat
Frans
Bijvoeglijk naamwoord
fat

