fat
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA: /fɑt/
Woordafbreking
- fat
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | fat | fatten |
| verkleinwoord | fatje | fatjes |
Zelfstandig naamwoord
fat
- (verouderd) modegek, iemand die buitensporige aandacht aan zijn uiterlijk besteedt
- "Ik, of een ander, mevrouw", hernam de jonge fat, zich op de lippen bijtende; "maar ik heb mijne overtuiging".[1]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
- ↑ Mejonkvrouwe de Mauléon- Bosboom-Toussaint
Engels
Uitspraak
| Naar frequentie | 3291 |
|---|
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| fat | fats |
Zelfstandig naamwoord
fat
| Naar frequentie | 2826 |
|---|
| stellend | vergrotend | overtreffend |
|---|---|---|
| fat | fatter | fattest |
Bijvoeglijk naamwoord
fat
Afgeleide begrippen
Frans
Bijvoeglijk naamwoord
fat
Oudnoors
Woordafbreking
- fat
Zelfstandig naamwoord
fat o
Verbuiging
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | fat | |||
| genitief | ||||
| datief | ||||
| accusatief | ||||
Synoniemen
Wolof
Uitspraak
Werkwoord
fat
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Verouderd in het Nederlands
- Woorden in het Engels
- Zelfstandig naamwoord in het Engels
- Biochemie in het Engels
- Bijvoeglijk naamwoord in het Engels
- Woorden in het Frans
- Bijvoeglijk naamwoord in het Frans
- Verouderd in het Frans
- Woorden in het Oudnoors
- Zelfstandig naamwoord in het Oudnoors
- Kleding in het Oudnoors
- Woorden in het Wolof
- Werkwoord in het Wolof