fat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fat fatten
verkleinwoord fatje fatjes

Zelfstandig naamwoord

fat

  1. (verouderd) modegek, iemand die buitensporige aandacht aan zijn uiterlijk besteedt
    "Ik, of een ander, mevrouw", hernam de jonge fat, zich op de lippen bijtende; "maar ik heb mijne overtuiging".[1]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Mejonkvrouwe de Mauléon- Bosboom-Toussaint


Engels

Uitspraak
Naar frequentie 3291


enkelvoud meervoud
fat fats

Zelfstandig naamwoord

fat

  1. (biochemie) vet
Naar frequentie 2826


stellend vergrotend overtreffend
fat fatter fattest

Bijvoeglijk naamwoord

fat

  1. dik
  2. vet
Afgeleide begrippen


Frans

Bijvoeglijk naamwoord

fat

  1. (verouderd) dom, onnozel.
  2. opzichtig


Oudnoors

Woordafbreking
  • fat

Zelfstandig naamwoord

fat o

  1. pot
  2. deken
  3. (kleding) jurk
Verbuiging
Synoniemen


Wolof

Uitspraak

Werkwoord

fat

  1. herbergen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen