devil

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
devil devils

Zelfstandig naamwoord

  1. (religie) duivel
  2. (religie) Duivel
  3. het kwade deel van het geweten.
    The devil in me wants to let him suffer.
    «Het duiveltje in me wil hem laten lijden.»
  4. rakker, een kwaadaardig of ondeugend persoon.
    Those two kids can really be little devils when they get into a toy store.
    «Die twee kinderen kunnen echt rakketjes zijn als ze in een speelgoedwinkel komen»
  5. Iets dat uiterst lastig kan zijn.
    That mathematics problem is quite a devil.
    «Dat wiskundeprobleem is echt een flinke kluif»
  6. als een krachtterm
    What in the devil is that?
    «Wat is dat in hemelsnaam?»
    You can go to the devil for all I care.
    «Ach, loop naar de duivel!»
  7. een meelijwekkend figuur:
    The poor devil...
    «De arme donder....»
  8. geluksvogel
    What a lucky devil!
    «Wat een mazzelaar!»
  9. een wervelwindje
    A dust devil.
Synoniemen
Afgeleide begrippen


vervoeging
onbepaalde wijs to devil
he/she/it devils
verleden tijd devilled (UK)
deviled (US)
voltooid
deelwoord
devilled (UK)
deviled (US)
onvoltooid
deelwoord
devilling (UK)
deviling (US)
gebiedende wijs devil

Werkwoord

  1. irriteren, plagen, lastig vallen
  2. roosteren met cayennepeper; sterk peperen.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen