lastig
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- las·tig
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | lastig | lastiger | lastigst |
| verbogen | lastige | lastigere | lastigste |
Bijvoeglijk naamwoord
lastig
- moeilijheden veroorzakend of opwerpend
- Hij is het lastigste kind van de klas.
- Dat is een lastiger probleem dan het vorige.
Vertalingen
1.
Bijwoord
lastig
- met moeite, op lastige wijze
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- lastigvallen: Val hem niet zo lastig!