vallen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • val·len
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: vallen
Oudnederlands: fallan
Germaans: *fallanan
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: fall (Angelsaksisch: feallan), Duits: fallen, (Oudhoogduits: fallan), Fries: falle (Oudfries: falla)
Noord: Zweeds/IJslands/Faeröers: falla, Deens: falde, Noors: falle (Nynorsk: falla, falle, Oudnoors: falla)
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vallen
viel
gevallen
klasse 7 volledig

Werkwoord

vallen

  1. (ergatief) vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
    De roekeloze beklimmer van het gebouw viel gelukkig niet.
  2. (ergatief), (militair) ondanks verzet in vijandelijke handen komen
    Die stad is snel gevallen.
  3. (ergatief), (militair) sterven in de strijd
    Adolf viel in de slag bij Heiligerlee.
  4. ~ te: drukt een mogelijkheid uit
    Daar viel bitter weinig aan te veranderen.
  5. (koppelwerkwoord) ~ + meewerkend voorwerp op een bepaalde manier ervaren worden
    Het afscheid is hem erg zwaar gevallen.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • uit de boot vallen
  • laten vallen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

vallen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord val
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen