degelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·ge·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het verouderde deeg (voorspoed, voordeel) met het achtervoegsel -lijk
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen degelijk degelijker degelijkst
verbogen degelijke degelijkere degelijkste

Bijvoeglijk naamwoord

degelijk

  1. goed tegen een stootje kunnend
    Die degelijke tent is bestand tegen de storm.
  2. (van personen) eerlijk, oprecht, net in zijn manieren.
    Als je niet met een degelijk iemand trouwt, zal ik je onterven!
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • wel degelijk
Vertalingen