bloem
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| 1 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | bloem | bloemen |
| verkleinwoord | bloempje, bloemetje | bloempjes, bloemetjes |
| 2 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | bloem | - |
| verkleinwoord | - | - |
Woordafbreking
- bloem
Zelfstandig naamwoord
- (plantkunde) een deel van plant met zaden.
- Jongens, pas op dat jullie de bloempjes niet vertrappen!
- fijngemalen poeder, meestal van granen.
- Voor het recept was bloem nodig.
Vertalingen
1. een deel van plant met zaden
|
|
2. fijngemalen poeder, meestal van granen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.