blik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blik
[A] + [B] + [C] enkelvoud meervoud
naamwoord blik blikken
verkleinwoord blikje blikjes

Zelfstandig naamwoord

[A] blik o

  1. metaal dat tot dunne bladen is uitgeslagen
    Dat materiaal daar is blik.
  2. een cilindervormig afgesloten blikken vaatje
    Er zitten perziken in dat blik.
  3. als voorwerpsnaam
    1. een blikken bak (keukengereedschap)
    2. een blikken bus (om verduurzaamde levensmiddelen in te bewaren)
    3. een blikken plaat (ook wel van ander materiaal) met handvat om stof en vuilnis op te vegen
      De moeder had een stoffer en blik gehaald en alles van de grond opgeveegd.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • [3.3]: stoffer en blik
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

[B] blik m

  1. een oogopslag
  2. de tijd die voor een blik van het oog noodig is
  3. manier van kijken, gezichtsuitdrukking
    Mensen die een boze blik richten, doen dit meestal onbewust.
  4. het richten van het oog op iets
    Hij wierp een blik in de box.
  5. het vermogen om te zien
    Hij heeft een scherpe blik.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3]: een holle blik
die niets lijkt te zien
  • [3]: een vernietigende blik
waaruit boosheid spreekt
  • [4]: ergens een blik op werpen
ernaar kijken
  • [4]: iemand geen blik waardig keuren
hem uit minachting of trots niet aankijken
  • [4]: iemands blik vangen
zorgen dat hij naar je kijkt
  • [4]: verstand op nul, blik op oneindig
te werk gaan zonder zijn verstand te gebruiken
  • [5]: een ruime blik hebben
ruimdenkend zijn
  • [5]: een vooruitziende blik hebben
weten wat er in de toekomst gebeurt
  • [5]: zijn blik verruimen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

[C] blik m

  1. (plantkunde) Potentilla anserina Wikispecies-logo-en.png, een plant uit de rozenfamilie
Synoniemen
Hyperoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
blikken

blik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blikken
    Ik blik.
  2. gebiedende wijs van blikken
    Blik!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blikken
    Blik je?

Meer informatie