blik
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- blik
| [A] + [B] + [C] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | blik | blikken |
| verkleinwoord | blikje | blikjes |
Zelfstandig naamwoord
[A] blik o
- metaal dat tot dunne bladen is uitgeslagen
- Dat materiaal daar is blik.
- een cilindervormig afgesloten blikken vaatje
- Er zitten perziken in dat blik.
- als voorwerpsnaam
- een blikken bak (keukengereedschap)
- een blikken bus (om verduurzaamde levensmiddelen in te bewaren)
- een blikken plaat (ook wel van ander materiaal) met handvat om stof en vuilnis op te vegen
- De moeder had een stoffer en blik gehaald en alles van de grond opgeveegd.
Synoniemen
- [2]: trommel
Afgeleide begrippen
- [1]: blikken, blikfabriek, blikwerk, messingblik, staalblik, zinkblik
- [2]: blikconserve, blikopener (gereedschap)
- [3]: blikschade
Typische woordcombinaties
- [3.3]: stoffer en blik
Vertalingen
1. metaal dat tot dunne bladen is uitgeslagen
2. een cilindervormig afgesloten blikken vaatje
|
|
3.3 een blikken plaat (ook wel van ander materiaal) met handvat om stof en vuilnis in op te vegen
zijn blik verruimen
|
Zelfstandig naamwoord
[B] blik m
- een oogopslag
- de tijd die voor een blik van het oog noodig is
- manier van kijken, gezichtsuitdrukking
- Mensen die een boze blik richten, doen dit meestal onbewust.
- het richten van het oog op iets
- Hij wierp een blik in de box.
- het vermogen om te zien
- Hij heeft een scherpe blik.
Afgeleide begrippen
- [2]: ogenblik
- [4]: blikvanger, blikveld
- [5]: blikopener (engl: eye catcher)
Uitdrukkingen en gezegden
- [3]: een holle blik
die niets lijkt te zien
- [3]: een vernietigende blik
waaruit boosheid spreekt
- [4]: ergens een blik op werpen
ernaar kijken
- [4]: iemand geen blik waardig keuren
hem uit minachting of trots niet aankijken
- [4]: iemands blik vangen
zorgen dat hij naar je kijkt
- [4]: verstand op nul, blik op oneindig
te werk gaan zonder zijn verstand te gebruiken
- [5]: een ruime blik hebben
ruimdenkend zijn
- [5]: een vooruitziende blik hebben
weten wat er in de toekomst gebeurt
- [5]: zijn blik verruimen
Vertalingen
1. een oogopslag
2. de tijd die voor een blik van het oog noodig is
3. manier van kijken, gezichtsuitdrukking
zijn blik verruimen
|
Zelfstandig naamwoord
[C] blik m
- (plantkunde) Potentilla anserina
, een plant uit de rozenfamilie
Synoniemen
Hyperoniemen
Vertalingen
1. een plant uit de rozenfamilie
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| blikken |
blik
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blikken
- Ik blik.
- gebiedende wijs van blikken
- Blik!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blikken
- Blik je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.