blikken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- blik·ken
Woordherkomst en -opbouw
Zelfstandig naamwoord
blikken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord blik
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | (alleen attributief) |
| verbogen | blikken |
Bijvoeglijk naamwoord
blikken
- van blik vervaardigd
- Er zat een blikken plaatje opgeschroefd.
- alsof van blik vervaardigd of afkomstig daarvan
- De toeter produceerde een schel blikken geluid.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| blikken |
blikte |
geblikt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
blikken
- (inergatief) in een bepaalde richting kijken
- Hij blikte even naar haar, maar moest snel zijn aandacht weer op het verkeer richten.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Achtervoegsel -en in het Nederlands
- Zelfstandig-naamwoordsvorm in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Stofadjectief in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-t) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Inergatief werkwoord in het Nederlands