blikken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blik·ken
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

blikken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord blik
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen blikken

Bijvoeglijk naamwoord

blikken

  1. van blik vervaardigd
    Er zat een blikken plaatje opgeschroefd.
  2. alsof van blik vervaardigd of afkomstig daarvan
    De toeter produceerde een schel blikken geluid.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
blikken
blikte
geblikt
zwak -t volledig

Werkwoord

blikken

  1. (inergatief) in een bepaalde richting kijken
    Hij blikte even naar haar, maar moest snel zijn aandacht weer op het verkeer richten.
  2. (inergatief) schitteren
    een fraai blikkend scherp mes
  3. (inergatief) in de uitdrukking:
    zonder blikken of blozen
Afgeleide begrippen