bus
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bus
Woordherkomst en -opbouw
- [1]: Latijn: omnibus: voor iedereen
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bus | bussen |
| verkleinwoord | busje | busjes |
- (verkeer) vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
- een blikken bewaardoos met deksel
- collectebus
- postbus
- een voorwerp bedoeld om elektrische verbindingen tot stand te brengen
Vertalingen
1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
Indonesisch
Woordherkomst en -opbouw
- Het is een van de Indonesische woorden van Nederlandse oorsprong.
Zelfstandig naamwoord
bus
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spaans
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| bus | buses |
Zelfstandig naamwoord
bus m