trommel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- trom·mel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | trommel | trommels |
| verkleinwoord | trommeltje | trommeltjes |
Zelfstandig naamwoord
- (muziekinstrument) een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
- De een speelde de fluit en de andere de trommel.
- een vaak ronde, afsluitbare, gewoonlijk metalen doos
- Doe die koekjes even in de trommel, dan blijven ze vers.
Synoniemen
- [1]: trom
Afgeleide begrippen
- [1]: vaastrommel, lijsttrommel, wrijftrommel, trommelstok, trommelvlies
- [2]: koektrommel, koekjestrommel, broodtrommel, trommelrem
Vertalingen
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
|
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| trommelen |
trommel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trommelen
- Ik trommel.
- gebiedende wijs van trommelen
- Trommel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trommelen
- Trommel je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Afrikaans
Zelfstandig naamwoord
trommel