bewijs
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·wijs
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bewijs | bewijzen |
| verkleinwoord | bewijsje | bewijsjes |
Zelfstandig naamwoord
bewijs o
- datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
- schriftelijk blijk van iets, bewijsstuk
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
- bewijsbaar, bewijsbeginsel, bewijsgrond, bewijsmoeilijkheden, bewijsmoeilijkheid, bewijsrechtelijk, bewijstheorie
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- iets met bewijzen staven
Vertalingen
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
iets met bewijzen staven
|
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bewijzen |
bewijs
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bewijzen
- Ik bewijs.
- gebiedende wijs van bewijzen
- Bewijs!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bewijzen
- Bewijs je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.