bewijs

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·wijs
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bewijs bewijzen
verkleinwoord bewijsje bewijsjes

Zelfstandig naamwoord

bewijs o

  1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
  2. schriftelijk blijk van iets, bewijsstuk
    bewijs bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • iets met bewijzen staven
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Werkwoord

vervoeging van
bewijzen

bewijs

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bewijzen
    Ik bewijs.
  2. gebiedende wijs van bewijzen
    Bewijs!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bewijzen
    Bewijs je?

Meer informatie