bewegen

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
  • Geluid:  bewegen    (hulp, bestand)
  • IPA:
    • (Noord-Nederland) /bəˈʋeχə(n)/
    • (Vlaanderen, Brabant) /bəˈβ̞eɣə(n)/
    • (Limburg) /bəˈweɣə(n)/
Woordafbreking
  • be·we·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bewegen
bewoog
bewogen
Klasse 2 volledig

Werkwoord

bewegen

  1. (inergatief) van plaats veranderen, niet stilstaan.
    Om te kunnen bewegen hebben veel dieren een uitgebreid zenuw- en spierstelsel.
  2. (overgankelijk) in beweging brengen.
    Dat werd bewogen door de wind.
  3. (wederkerend) zich ~ actie ondernemen om een beweging te maken.
    Na zijn ongeval kon hij zich niet meer zo goed bewegen.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen