roeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- roe·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| roeren |
roerde |
geroerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
roeren
- (overgankelijk) een vloeistof met een spaan in ronde beweging brengen
- (overgankelijk) een emotie in iemand oproepen
- Dat roerde hem zeer.
- (wederkerend): zich ~: zich bewegen
- Het konijn roerde zich niet en wachtte geduldig tot de vos verdwenen was.
- (wederkerend): zich ~: in opstand komen
- De bergbewoners van de Kaukasus roeren zich weer als vanouds.
- (wederkerend): zich ~: geluid (herrie) maken
- De ongeduldige jongelui roerden zich tijdens het concert met boegeroep en andere ongein.
Vertalingen
1. een vloeistof met een spaan in ronde beweging brengen
Spreekwoorden
- tot tranen toe geroerd zijn
- zeer sterk ontroerd zijn
- de trom roeren
- op de trommel slaan
- maart roert zijn staart
- de laatste dagen van maart kunnen nog guur en koud weer geven
- zich niet kunnen roeren
- zich niet kunnen bewegen
Zelfstandig naamwoord
roeren mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord roer