beschuldigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·schul·di·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van schuld met het voorvoegsel be-, met het achtervoegsel -ig en met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beschuldigen
beschuldigde
beschuldigd
zwak -d volledig

Werkwoord

beschuldigen

  1. (overgankelijk) iemand de schuld geven van iets
    Ik beschuldig hem van deze misdaad.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·schul·di·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Middelhoogduitse werkwoord beschuldigen met Oudhoogduitse bron
  • Afleiding van het Duitse bijvoeglijke naamwoord schuldig met het voorvoegsel be-, met het achtervoegsel -ig en met het achtervoegsel -en
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beschuldigen
beschuldigte
beschuldigt
zwak

untrennbar

volledig met "haben"

Werkwoord

beschuldigen (met accusatief: iemand beschuldigen / met accusatief en genitief: iemand van iets beschuldigen)

  1. (overgankelijk) aanklagen, beschuldigen, betichten, schuld geven aan
    «Die USA beschuldigen den russischen Geheimdienst, hinter dem Angriff zu stecken.»
    De Verenigde Staten beschuldigen de Russische geheime dienst achter de aanslag te steken.
Hyperoniemen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • fälschlich beschuldigen
ten onrechte beschuldigen
  • öffentlich beschuldigen
publiekelijk beschuldigen
  • sich gegenseitig beschuldigen
elkaar beschuldigen
«Die Konfliktparteien beschuldigen sich gegenseitig.»
De strijdende partijen beschuldigen elkaar.