betichten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·tich·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| betichten |
betichtte |
beticht |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
betichten
- (overgankelijk) iemand op valse gronden beschuldigen
- Iemand betichten van oplichting.
Verwante begrippen
Vertalingen
1. iemand op valse gronden beschuldigen