finish

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fi·nish
enkelvoud meervoud
naamwoord finish -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

finish m

  1. (sport) het passeren van de eindstreep van een racewedstrijd
    Wat een prachtige finish!
  2. (sport) de eindstreep: een lijn die deelnemers van racewedstrijden moeten passeren om de wedstrijd te volbrengen
    Door een ongelukkige val haalde hij de finish niet.
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
finishen

finish

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van finishen
    Ik finish.
  2. gebiedende wijs van finishen
    Finish!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van finishen
    Finish je?


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to finish
he/she/it finishes
verleden tijd finished
voltooid
deelwoord
finished
onvoltooid
deelwoord
finishing
gebiedende wijs finish

Werkwoord

finish

  1. afronden
  2. afspelen
  3. voltooien