afgelopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ge·lo·pen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen afgelopen meer afgelopen meest afgelopen
verbogen - - -

Bijvoeglijk naamwoord

afgelopen

  1. beëindigd.
    Afgelopen kun je alleen gebruiken tegen het einde van de desbetreffende periode.
Uitdrukkingen en gezegden
  • De afgelopen maanden.

Werkwoord

vervoeging van
aflopen

afgelopen

  1. voltooid deelwoord van aflopen