afloop
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: afloop (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈɑflop/, /ˈɑfloʊ̯p/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈɑfloːp/
Woordafbreking
- af·loop
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | afloop | aflopen |
| verkleinwoord | afloopje | afloopjes |
Zelfstandig naamwoord
afloop m
- einde
- Gelukkig had het verhaal een goede afloop.
- resultaat, uitkomst
- ontknoping
- expiratie
- de afloop van een contract
- afvoerbuis van bijvoorbeeld een lavabo
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
- afloopdag, afloopdatum, afloopkraan, afloopleiding, aflooplijn, afloopmaand, afloopstok, aflooptemperatuur, aflooptermijn, afloper
Vertalingen
1. einde
4. expiratie
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| aflopen |
afloop
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aflopen
- ... dat ik afloop.