zeur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zeur

Werkwoord

vervoeging van
zeuren

zeur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeuren
    • Ik zeur. 
  2. gebiedende wijs van zeuren
    • Zeur! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeuren
    • Zeur je? 
Woordafbreking
  • zeur
enkelvoud meervoud
naamwoord zeur zeuren
verkleinwoord zeurtje zeurtjes

Zelfstandig naamwoord

zeur v/m

  1. (scheldwoord) iemand die zeurt
    • Wat een ouwe zeur is hij toch ook! 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.