Naar inhoud springen

zaligheid

Uit WikiWoordenboek
  • za·lig·heid
1 enkelvoud meervoud
naamwoord zaligheid -
verkleinwoord - -
2 enkelvoud meervoud
naamwoord zaligheid zaligheden
verkleinwoord zaligheidje zaligheidjes

dezaligheidv

  1. (religie) een toestand waarin men gerechtvaardigd is tegenover God
    • De zaligheid van paus Johannes Paulus II is onlangs door de huidige paus afgekondigd. 
  2. (figuurlijk) iets geweldig fijns
    • Wat een zaligheid dat je eindelijk voor dat examen geslaagd bent! 


98 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be