ongenoegen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ge·noe·gen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ongenoegen ongenoegens
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ongenoegen o

  1. ontevredenheid
    • Ondanks alle rijkdom is er toch nog een hoop ongenoegen in de samenleving. 
  2. ruzie, onenigheid, boosheid
    • Er was altijd ongenoegen tussen de kinderen die het nooit mel elkaar eens waren. 
Verwante begrippen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen