ongenoegen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ge·noe·gen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ongenoegen ongenoegens
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ongenoegen o

  1. ontevredenheid
    Ondanks alle rijkdom is er toch nog een hoop ongenoegen in de samenleving.
  2. ruzie, onenigheid, boosheid
    Er was altijd ongenoegen tussen de kinderen die het nooit mel elkaar eens waren.