woonhuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • woon·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord woonhuis woonhuizen
verkleinwoord woonhuisje woonhuisjes

Zelfstandig naamwoord

woonhuis o

  1. Een huis, woning of (Vlaams) woonst is een bouwwerk waarin mensen kunnen wonen.


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie