woonhuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • woon·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord woonhuis woonhuizen
verkleinwoord woonhuisje woonhuisjes

Zelfstandig naamwoord

woonhuis o

  1. (bouwkunde), (wonen) bouwwerk waarin mensen kunnen wonen
     Een woonhuis moet voor de heffing van erfbelasting verplicht gewaardeerd worden op de WOZ-waarde.[1]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 7 oktober 2020 “Erfbelasting op woningen: de WOZ-waarde is verplicht” (12 april 2014), BelastingBelangen
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be