Naar inhoud springen

woon

Uit WikiWoordenboek
  • woon
enkelvoud meervoud
naamwoord woon -
verkleinwoord - -

dewoonv/m

  1. woonplaats
vervoeging van
wonen

woon

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wonen
    • Ik woon. 
  2. gebiedende wijs van wonen
    • Woon! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wonen
    • Woon je? 
     Hierin woon ik nu al zes jaar.[3]
     'En waar in Parijs woon je?' 'In het 12e arrondissement.[4]
     Ik woon vlakbij.[5]
100 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[6]