wijdheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wijd·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van wijd met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord wijdheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

wijdheid v [1]

  1. de mate waarin iets wijd is
    • Sinds Adam zijn wij allen niet meer dan armetierige zondaren. Wij zijn niet beter dan andersdenkenden. Als wij al beter weten, is dat genade. Pure gratie en geen prestatie. Waar dit wordt beleefd, ontstaat mildheid over anderen. „In hun beste vertegenwoordigers vertonen zij een innigheid en wijdheid van het hart, een brede, alles omsluitende mildheid, waar men niet zonder ontroering naar kan kijken”, schreef dr. A. A. van Ruler op bijna poëtische wijze. [2] 
    • Dan is er de wijdheid van het beeld. Alle aanwezigheid van mensen beperkt de horizon. Spitsuren, zaterdagmiddagen hebben geen horizon. Dat zie je pas goed aan het tegendeel; in Amsterdam op iedere zondagmorgen als langs de grachten maar weinig auto's geparkeerd staan. Het stadsbeeld, vrij van blik, geeft een ruimtelijke sensatie die je als het ware diep doet ademhalen door je ogen. Deze foto's veroorzaken een bevrijding op het netvlies. [3] 
Synoniemen
70 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad Mr. D. J. H. van Dijk 18-04-2012 Bevindelijk gereformeerde leven mooiste levensvorm rond het kruis
  3. NRC H.J.A. Hofland 7 december 2002 HET WORDT WEER LICHT