vrijbuiter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrij·bui·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kaper, avonturier’ voor het eerst aangetroffen in 1572 [1]
  • afgeleid van vrijbuiten met het achtervoegsel -er [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord vrijbuiter vrijbuiters
verkleinwoord vrijbuitertje vrijbuitertjes

Zelfstandig naamwoord

vrijbuiter m

  1. (geschiedenis) (scheepvaart) een zeerover die niet zijn buit grotendeels zoals een kaper aan de staat afstond, maar vrijelijk op de markt verkocht
    • Kapers werden vaak vrijbuiters als hun dat uitkwam, zodat het verschil niet zo groot was. 
  2. iemand die niet vies is van een beetje avontuur, een avonturier
    • Oh, die? Dat was altijd al een vrijbuiter! 
  3. (scheepvaart) een klassieke, houten zeilboot
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen