voorbereiding

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·be·rei·ding
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voorbereiding voorbereidingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

voorbereiding v

  1. het voorbereiden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie