veste

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ves·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord veste vesten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

veste v/m

  1. een met muren beschermde plaats; de muren van een vesting
    • Ould-Chikh brak in het seizoen 2014-2015 door bij FC Twente, maar lang hebben ze in de Grolsch Veste niet van het talent kunnen genieten. Na dat seizoen vertrok de buitenspeler naar Benfica. [2] 
    • De volleybalsters van Apollo 8 blijven feest vieren. De Bornse eredivisionist verloor zondag de bekerfinale tegen Sliedrecht Sport, maar werd desondanks bij thuiskomst bij sporthal De Veste onthaald met een erehaag. [3] 
  2. boulevard op geslechte stadsmuren
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
57 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen