vesten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ves·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vesten
vestte
gevest
zwak -t volledig

Werkwoord

vesten [2]

  1. bevestigen, vastmaken

Zelfstandig naamwoord

vesten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vest

vesten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord veste


Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen