vertrouwdheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·trouwd·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vertrouwdheid vertrouwdheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vertrouwdheid v [1]

  1. iets dat getuigt van een zekere intimiteit of bekendheid
     "Het is niet niks. We verlaten een bijzondere historische plek, vol emoties en geschiedenis. Ik zal de vertrouwdheid missen", zegt SGP-leider Kees van der Staaij, al 23 jaar in de Tweede Kamer en met Wilders een van de nestors van het parlement.[2]
     Volgens Carsten Hansen van het kinderdagverblijf Kinderambassade zal de grootste uitdaging zijn om de kinderen een gevoel van vertrouwdheid te geven.[3]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 11 december 2021 Weblink bron Bernice Willemsen “Weemoedig vertrek Binnenhofbewoners, maar (nog) geen bouwvakker in zicht” (03-07-2021), NOS
  3. Bronlink geraadpleegd op 11 december 2021 Weblink bron Rolien Créton “Denemarken wordt weer opgestart, 'blij maar ook nerveus om te werken'” (20-04-2020), NOS