Naar inhoud springen

intimiteit

Uit WikiWoordenboek
  • in·ti·mi·teit
enkelvoud meervoud
naamwoord intimiteit intimiteiten
verkleinwoord intimiteitje intimiteitjes

deintimiteitv

  1. het intiem zijn, de vertrouwdheid
     Ik vond hen allebei afzichtelijk, dik, ingezakt en zwelgend in een intimiteit die me tegenstond.[3]
     Daar, in de intimiteit van het rode licht, vroeg hij elk van ons waarom we nou net dit onderwerp voor onze foto hadden gekozen en hij luisterde met aandacht naar onze uitleg.[4]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]