verlengen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·len·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verlengen
verlengde
verlengd
zwak -d volledig

Werkwoord

verlengen

  1. overgankelijk langer maken
    • Als je wil dat die broek je nog past, zul je haar moeten verlengen. 
  2. overgankelijk langer laten duren
    • De onderhandelingen werden met twee weken verlengd. 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.