uitsteken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ste·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitsteken
stak uit
uitgestoken
klasse 4 volledig

Werkwoord

uitsteken

  1. inergatief in grootte de rest voorbijstreven
    • Die boom steekt boven de andere uit. 
  2. ditransitief met een scherp voorwerp stekend verwijderen
    • Men stak hem de ogen uit. 
  3. overgankelijk uitstrekken, bijvoorbeeld van een ledemaat
    • Als je links afslaat moet je je hand uitsteken. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.