uitsteken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ste·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitsteken
stak uit
uitgestoken
klasse 4 volledig

Werkwoord

uitsteken

  1. inergatief in grootte de rest voorbijstreven
    • Die boom steekt boven de andere uit. 
  2. ditransitief (de ogen) met een scherp voorwerp stekend verwijderen
    • Men stak hem de ogen uit. 
  3. overgankelijk uitstrekken, bijvoorbeeld van een ledemaat
    • Als je links afslaat moet je je hand uitsteken. 
     Net op tijd kon ik mijn hand de tent uitsteken om mezelf zichtbaar te maken.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be