tuimeling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tui·me·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tuimeling tuimelingen
verkleinwoord tuimelingetje tuimelingetjes

Zelfstandig naamwoord

tuimeling v [1]

  1. een val gecombineerd met een draai
    • De vierde uitvaller is Made in Chelsea-ster Mark-Francis Vandelli (26) die zijn enkel heeft gebroken na een tuimeling in de sneeuw.[2] 
    • Ze zit drie maanden in een zogenaamd Halovest, een harnas dat het hoofd op zijn plaats houdt, om te herstellen van haar nachtelijke tuimeling. ,,Gelukkig heb ik er uiteindelijk niets aan overgehouden, zegt Geke opgelucht. ,,Ja, je ziet de littekens van de schroeven in mijn voorhoofd nog.[3] 
  2. plotselinge heftige daling
    • De Amerikaanse president Donald Trump ontkende via Twitter een handelsoorlog te voeren. Van die sussende woorden trokken beleggers zich evenwel weinig aan. Grote exporteurs naar China maakten een flinke tuimeling op de beurs. Aandelen van vliegtuigbouwer Boeing, machinefabrikant Caterpillar en de autoconcerns Ford, General Motors (GM) en Fiat Chrysler verloren in de eerste handelsminuten tot bijna 4 procent.[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen