duikeling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dui·ke·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord duikeling duikelingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

duikeling v [1]

  1. een grote val naar beneden
    • Grote bewegingen in de koers van het Britse pond, dinsdag: eerst een duikeling nadat bekend werd dat de premier met een belangrijke mededeling zou komen. Daarna ging het pond in een steile klim omhoog. Aan het einde van de middag was het pond meer dan 1,192 euro waard, ongeveer een cent meer dan voordat May sprak. Woensdagochtend noteerde het pond zelfs 1,197 euro.[2] 
  2. draaiende val
    • Onbedoeld drukte scheidsrechter Kevin Blom zaterdag nadrukkelijk een stempel op de topontmoeting tussen Vitesse en PSV (1-2). Vooral over het beslissende moment, de strafschop waaruit Memphis Depay uiteindelijk de winnende maakte, werd nog lang nagepraat in Arnhem. Blom bleef na het terugzien van de tv-beelden achter zijn beslissing staan om de duikeling van Jetro Willems over de arm van de inglijdende Jan-Arie van der Heijden te belonen met een penalty.[3]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
80 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Melle Garschagen 19 april 2017
  3. Volkskrant 15 maart 2014