trombonist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trom·bo·nist
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trombonist trombonisten
verkleinwoord trombonistje trombonistjes

Zelfstandig naamwoord

trombonist m

  1. (muziek) (beroep) iemand die de trombone bespeeld
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be