triool

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De onderverdeling bij triool en sextool

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tri·ool
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘drie noten met tijdswaarde van twee of vier noten’ voor het eerst aangetroffen in 1754 [1]
  • Afgeleid van het Italiaanse trio (drie) (met het voorvoegsel tri-) [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord triool triolen
verkleinwoord triooltje triooltjes

Zelfstandig naamwoord

triool v/m)

  1. (muziek) een drietal muzieknoten of rusten op een plaats waar het gewone patroon, tweedelig is.
    • Als symbool voor de triool hanteert men drie gewone nootsymbolen met een toevoeging:bijv. “3” of “3:2”. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

43 % van de Nederlanders;
61 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen