transversaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trans·ver·saal
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘overdwars’ voor het eerst aangetroffen in 1573 [1]
  • afgeleid van transvers met het achtervoegsel -aal [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord transversaal transversalen
verkleinwoord transversaaltje transversaaltjes

Zelfstandig naamwoord

transversaal v / m [3]

  1. lijn die of vlak dat een stelsel van lijnen of vlakken snijdt
  2. verwant in de zijlinie
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen transversaal transversaler transversaalst
verbogen transversale transversalere transversaalste
partitief transversaals transversalers -

Bijvoeglijk naamwoord

transversaal [4]

  1. dwars, overdwars gaand
  2. een stelsel van lijnen of vlakken snijdend
  3. in de zijlinie verwant
  4. (natuurkunde) (van een golfbeweging:) met de amplitude loodrecht op de voorplantingsrichting
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

68 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie