torn

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • torn

Werkwoord

vervoeging van
tornen

torn

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tornen
    • Ik torn. 
  2. gebiedende wijs van tornen
    • Torn! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tornen
    • Torn je? 

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders
36 % van de Vlamingen.


Engels

Werkwoord

torn

  1. voltooid deelwoord van tear


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

torn o

  1. toren (gebouw)
  2. toren (schaakstuk)
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   torn     tornet     torn     tornen  
genitief   torns     tornets     torns     tornens