tornen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tor·nen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘losgaan van naaisel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1450 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tornen
tornde
getornd
zwak -d volledig

Werkwoord

tornen

  1. inergatief het herhaald tussen de steken doorknippen van een draad waarmee iets vastgenaaid zit
  2. inergatief overdrachtelijk het afbreuk maken aan een bestaande instelling of regel
    • Daaraan mag niet getornd worden. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
83 % van de Vlamingen.

Verwijzingen