toevoeging

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·voe·ging
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord toevoeging toevoegingen
verkleinwoord toevoeginkje toevoeginkjes

Zelfstandig naamwoord

toevoeging v

  1. datgene wat met een groter geheel verenigd wordt
    • Hij maakte bij herlezing van zijn brief nog een kleine toevoeging. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.