Naar inhoud springen

terugblik

Uit WikiWoordenboek
  • te·rug·blik
enkelvoud meervoud
naamwoord terugblik terugblikken
verkleinwoord terugblikje terugblikjes

deterugblikm

  1. een blik op voorbijgegane zaken
    • We moesten een terugblik van de periode schrijven. 
vervoeging van
terugblikken

terugblik

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van terugblikken
    • ... dat ik terugblik. 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be