tapir

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Tapir

Nederlands

tapir
Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·pir
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Portugees of Spaans, in de betekenis van ‘hoefdier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1682 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord tapir tapirs
verkleinwoord tapirtje tapirtjes

Zelfstandig naamwoord

tapir m

  1. (zoogdieren) hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf dat voorkomt in Zuid-Amerika en Zuidoost-Azië; naam voor soorten uit de familie Tapiridae op Wikispecies
    • Met hun slurf kunnen tapirs twijgen van bomen en struiken rissen. 
Overerving en ontlening
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·pir

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord tapir tapirs

tapir

  1. (zoogdieren) tapir


Catalaans

Zelfstandig naamwoord

tapir m

  1. (zoogdieren) tapir


Engels

Uitspraak
  • Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
  • IPA:
    • (VK) /ˈteɪ.pə(ɹ)/
    • (VS) /ˈteɪ.pəɹ/
Woordafbreking
  • ta·pir
enkelvoud meervoud
tapir tapirs

Zelfstandig naamwoord

tapir

  1. (zoogdieren) tapir


Frans

enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  tapir     le tapir     tapirs     les tapirs  

Zelfstandig naamwoord

tapir m

  1. (zoogdieren) tapir


Indonesisch

Woordafbreking
  • ta·pir
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

tapir

  1. (zoogdieren) tapir


Spaans

enkelvoud meervoud
tapir tapires

Zelfstandig naamwoord

tapir m

  1. (zoogdieren) tapir